. Vragen
en antwoorden op het gebied van stamrecht
Het
publiceren van vragen en antwoorden blijkt
een populaire manier van de Belastingdienst
om zijn interpretatie van de fiscale wetgeving
op allerlei terreinen kenbaar te maken.
Om u van dienst te zijn worden de vragen
en antwoorden gepubliceerd op onze website.
De
toepassing van stamrechtvrijstelling,
zoals opgenomen in artikel 11, eerste
lid, onderdeel g van de Wet op
de loonbelasting 1964 (hierna: wet LB),
heeft in de praktijk vragen opgeroepen.
Hierna wordt een overzicht gegeven van
de gestelde vragen en de daarop gegeven
antwoorden.
Mag
de inhoudingsplichtige de stamrechtvrijstelling,
zoals opgenomen in artikel 11, eerste
lid, onderdeel g, wet LB toepassen
zonder dat de competente inspecteur hiertoe
vooraf toestemming verleent?
Ja.
Als wordt voldaan aan de voorwaarden van
artikel 11, eerste lid, onderdeel g, wet
LB, dan behoort de aanspraak niet tot
het loon en kan de vrijstelling worden
toegepast. Bestaat er bij de (ex-)werkgever
dan wel de (ex-)werknemer behoefte aan
zekerheid vooraf omtrent de toepassing
van de stamrechtvrijstelling, bijvoorbeeld
in een ontslagsituatie in verband met
slechte verhoudingen tussen partijen,
dan is het mogelijk de competente inspecteur
van de (ex-)werknemer te verzoeken die
zekerheid te geven. Een dergelijk verzoek
aan de inspecteur dient te zijn voorzien
van alle relevante bescheiden, zoals bijvoorbeeld
de volledige (concept‑)stamrechtovereenkomst.
. 2. Afkoopverbod
Moet
in een stamrechtovereenkomst een afkoopverbod
zijn opgenomen?
De
Hoge Raad heeft in het arrest van 4 maart
1987, nr. 24 339, BNB 1987/215 beslist
dat een stamrecht niet is vrijgesteld
wanneer het stamrecht voorziet in andere
opbrengsten dan uitsluitend periodieke
uitkeringen. Dat houdt in dat de vrijstelling
niet van toepassing is wanneer in de stamrechtovereenkomst
een afkoopmogelijkheid is opgenomen.
Als
in de algemene voorwaarden van de verzekeringsovereenkomst
een afkoopmogelijkheid is opgenomen, dan
dient deze afkoopmogelijkheid op de polis
of in de bijzondere voorwaarden te zijn
uitgesloten. In de stamrechtovereenkomst
mag dus geen afkoopmogelijkheid zijn opgenomen,
een expliciet verbod op afkoop is niet
noodzakelijk.
. 3. Variabele termijnen
Mogen
de termijnen uit een stamrecht in
hoogte variëren?
De
termijnen uit een stamrecht moeten
periodieke uitkeringen zijn, er hoeft
geen sprake te zijn van een lijfrente.
Om van een periodieke uitkering te
kunnen spreken hoeven de termijnen,
anders dan bij een lijfrente, niet
vast en gelijkmatig te zijn. Het ontmoet
dan ook geen bezwaar wanneer bij het
ingaan van de termijnen wordt vastgesteld
dat de termijnen wijzigen op basis
van te verwachten sociale uitkeringen.
Deze wijziging van de termijnen dient
bij het ingaan van de termijnen in
een vast bedrag te zijn vastgesteld.
Bijvoorbeeld kan worden opgenomen
dat de eerste 3 jaren de termijnen
€ 6.800 bedragen en dat na 3
jaar, omdat er dan geen recht meer
bestaat op een WW-uitkering, de termijnen
€ 11.000 zullen gaan bedragen.
. 4. Bepaling van de sterftekans bij een periodieke uitkering
welke afhankelijk is van twee levens
Een
werknemer (A) krijgt per 1 januari
2002 een stamrecht toegekend. Het
stamrecht voorziet in een periodieke
uitkering welke afhankelijk is van
het leven van A en van het leven van
zijn partner (B). Deze afhankelijkheid
van twee levens pleegt op twee manieren
in de stamrechtovereenkomst te zijn
geregeld:
1.
De termijnen eindigen op een vastgestelde
datum, bijvoorbeeld 1 januari
2012, of bij het eerder overlijden
van de verzekerden A en B.
2.
Er worden twee periodieke uitkeringen
bedongen. De eerste eindigt op een
vastgestelde datum, bijvoorbeeld 1 januari
2012, of bij het eerder overlijden
van verzekerde A.
De tweede, welke toekomt aan verzekerde
B, gaat in bij het overlijden van
verzekerde A voor 1 januari 2012
en eindigt op 1 januari 2012
of bij het eerder overlijden van verzekerde
B.
Van
een periodieke uitkering is pas sprake
wanneer alle afzonderlijke termijnen
afhankelijk zijn van een onzekere
gebeurtenis. In het voorbeeld is de
sterftekans de onzekere gebeurtenis;
voorwaarde is dan wel dat sprake is
van een sterftekans van minimaal 0,94%.
Wanneer de sterftekans kleiner is,
is geen sprake meer van een onzekere
gebeurtenis. Hoe moet in beide hiervoor
genoemde voorbeelden de sterftekans
worden bepaald?
In
beide gevallen bestaat het toegekende
stamrecht voor de toepassing van artikel
11, eerste lid, onderdeel g, wet LB
uit twee periodieke uitkeringen. Eén
die toekomt aan A en één die toekomt
aan B. Beide periodieke uitkeringen
moeten afhankelijk zijn van een sterftekans
van minimaal 0,94%. De sterftekans
dient voor beide periodieke uitkeringen
te worden bepaald over de periode
van 1 januari 2002 tot 1 januari
2012, uitgaande van de meest recente
sterftetabellen. Dat de periodieke
uitkering die toekomt aan de partner
pas ingaat bij het overlijden van
A kan voor de bepaling van de sterftekans
buiten beschouwing blijven.
. 5. Sterftekans (pleeg)kind jonger dan 30 jaar
Een
stamrecht kan toekomen aan een kind
of pleegkind van de werknemer dat
de leeftijd van 30 jaar nog niet
heeft bereikt. Het stamrecht moet
dan uiterlijk eindigen op het moment
dat het kind de leeftijd van 30
jaar heeft bereikt. Een dergelijk
recht zal vrijwel nooit voldoen
aan het onzekerheidsvereiste zoals
dat geldt voor een stamrecht, omdat
de sterftekans van het kind niet
minimaal 0,94% bedraagt.
In
artikel 3.125, derde lid, wet IB
2001 is voor een vergelijkbare situatie
in de lijfrentesfeer bepaald dat
de sterftekans niet van belang is.
Mag voor toepassing van de stamrechtvrijstelling
overeenkomstig deze bepaling worden
gehandeld?
Ja,
overeenkomstig de wettelijke regelgeving
voor lijfrenten, is bij de toekenning
van stamrechten als bedoeld in artikel
11, eerste lid, onderdeel g, wet
LB, aan kinderen jonger dan 30 jaar
de sterftekans niet van belang.
. 6. Stamrecht (deels) niet toegekend ter vervanging van
gederfd of te derven loon
Een
vrijgesteld stamrecht kan alleen
worden bedongen ter vervanging van
gederfd of te derven loon. Als in
het stamrecht ook een bedrag is
ingebracht dat niet is toegekend
ter vervanging van gederfd of te
derven loon (bijvoorbeeld een vergoeding
voor niet opgenomen vakantiedagen),
kan dan de stamrechtvrijstelling
nog worden toegepast?
Als
in een stamrecht een bedrag is ingebracht
dat niet is toegekend ter vervanging
van gederfd of te derven loon, dan
is geen sprake van een zuivere aanspraak
ter vervanging van gederfd of te
derven loon. De stamrechtvrijstelling
is in dat geval niet van toepassing,
ook niet voor het deel dat wel is
toegekend ter vervanging van gederfd
of te derven loon.
. 7. Rentevergoeding bij te late betaling ontslaguitkering
Als
het uitbetalen van een ontslagvergoeding
door een (ex-)werkgever na het ontslag
nog op zich laat wachten, bijvoorbeeld
ten gevolge van een civiele procedure,
komt het voor dat de (ex-)werkgever
een vergoeding ex artikel 7:625
BW aan de (gewezen) werknemer moet
betalen. Kan die vergoeding deel
uitmaken van een stamrecht?
Wanneer
sprake is van vertraagd uitbetaald
loon en de (ex-)werkgever een verhoging
ex artikel 7:625 BW uitbetaalt,
behoort die verhoging op grond van
het arrest van de Hoge Raad van
28 juni 1978, nr. 18 592, BNB
1978/255, tot het loon. Op grond
van dat zelfde arrest kan die vergoeding
niet worden aangemerkt als een vergoeding
ter vervanging van te derven inkomsten.
De vergoeding mag daarom geen deel
uitmaken van het stamrecht.
. 8. Een door de rechter toegekende ontslagvergoeding
Het
komt voor dat de kantonrechter uitspraak
moet doen voordat tot ontslag kan
worden overgegaan. In die uitspraak
wordt dan wel de hoogte van de afkoopsom
vastgesteld, zonder er rekening
mee te houden dat die afkoopsom
kan worden genoten in de vorm van
een stamrecht. Blijft in dat geval
de mogelijkheid openstaan dat de
(gewezen) werknemer zijn ontslagvergoeding
geniet in de vorm van een vrijgesteld
stamrecht, of wordt de in de uitspraak
opgenomen afkoopsom geacht te zijn
genoten?
In
de geschetste situatie blijft het
mogelijk dat werkgever en werknemer
overeen komen dat de ontslagvergoeding
wordt uitgekeerd in de vorm van
een stamrecht. De stamrechtvrijstelling
is dan normaal toepasbaar. Voorwaarde
is wel dat de werkgever de afkoopsom
rechtstreeks stort bij een verzekeraar
of op een geblokkeerde derdenrekening
bij een advocaat of notaris.
. 9. Ontslagvergoeding in de vorm van een uitkering ineens
Kan
een werknemer gebruik maken van
de stamrechtvrijstelling, wanneer
hij met zijn werkgever een ontslagvergoeding
in de vorm van een éénmalige uitkering
is overeengekomen?
In
artikel 11, eerste lid, onderdeel
g, wet LB wordt een aanspraak op
een periodieke uitkering ter vervanging
van te gederfd of te derven loon
onder voorwaarden vrijgesteld. Van
een aanspraak is in beginsel geen
sprake wanneer de werkgever uitsluitend
een bedrag ter beschikking stelt
waarover de werknemer vrij kan beschikken,
bijvoorbeeld voor de aankoop van
een stamrecht. Dat de werkgever
een aanspraak heeft toegekend kan
minimaal blijken uit het feit dat
de werkgever de ontslagvergoeding
rechtstreeks stort bij een verzekeraar
of op een geblokkeerde derdenrekening
van een notaris of advocaat ter
aankoop van een stamrecht.
. 10. Werkgever werkt niet mee aan toekennen stamrecht
Is
het voor een werknemer mogelijk
gebruik te maken van de stamrechtvrijstelling,
wanneer zijn (voormalige) werkgever
niet meewerkt aan het bedingen van
een stamrecht, maar slechts bereid
is tot het betalen van een éénmalige
afkoopsom in geld?
Op
basis van artikel 63 van de Algemene
wet inzake rijksbelastingen (hardheidsclausule)
keur ik goed dat de stamrechtvrijstelling
in de geschetste situatie wordt
toegepast, indien aan de navolgende
voorwaarden wordt voldaan:
de
afkoopsom wordt tegen de uitdrukkelijke
wil van de werknemer in door de
werkgever aan de werknemer uitbetaald;
de
werknemer kan aantonen dat hij, voordat
de afkoopsom door hem werd ontvangen,
aan de werkgever kenbaar heeft gemaakt
dat hij gebruik wenste te maken van
de stamrechtvrijstelling;
de
werknemer dient aan te tonen dat hij,
nadat de afkoopsom door hem is ontvangen,
binnen zeer korte termijn initiatieven
heeft ondernomen om de afkoopsom alsnog
aan te wenden als koopsom voor een stamrecht;
de
uitkeringen ingevolge het stamrecht
worden beschouwd als loon (inkomsten
uit vroegere arbeid, niet zijn pensioen
of een soortgelijke beloning) in de
zin van artikel 10, eerste lid, wet
LB;
als
het stamrecht wordt ondergebracht bij
een verzekeraar in de zin van artikel
19a, eerste lid, onderdeel d, wet LB,
wordt deze verzekeraar voor de toepassing
van artikel 23a van de Wet op de vennootschapsbelasting
1969 (hierna: wet VpB) beschouwd als
degene van wie het stamrecht is bedongen;
de
verzekeraar van het stamrecht verklaart
schriftelijk tegenover de competente
inspecteur van de werknemer, dat hij
ermee akkoord gaat dat het wordt gelijkgesteld
met een stamrecht als bedoeld in artikel
11, eerste lid, onderdeel g, wet LB;
ter
zake van de verwerving van het stamrecht
wordt voor de heffing van de loonbelasting
en inkomstenbelasting geen enkele aftrek
op het inkomen toegepast.
. 11. Tussenstorting op derdenrekening, termijn doorstorting
In
het besluit van 21 december
2000, nr. CPP2000/3040M is bepaald
dat een afkoopsom bij ontslag
geacht wordt niet te zijn genoten
wanneer de ontslaguitkering door
de werkgever tijdelijk wordt gestort
op een geblokkeerde derdenrekening
bij een notaris of advocaat in
afwachting van de oprichting van
een BV of om een betere keuze
te kunnen maken tussen de diverse
aanbiedingen van verzekeraars.
Hoe lang kan de afkoopsom op deze
derdenrekening blijven staan,
zonder dat toepassing van de stamrechtvrijstelling
gevaar loopt?
Het
geld kan op een derdenrekening
worden gestort in afwachting van
de oprichting van de stamrecht-BV,
of om beter te kunnen kiezen bij
welke verzekeraar de koopsom het
best kan worden ondergebracht.
Op grond van o.a. het arrest van
de Hoge Raad van 16 september
1981, BNB 1982/15, dient de werknemer
een redelijke termijn te worden
gegund om zijn keuze te bepalen
of de stamrecht-BV op te richten.
Het begrip "binnen een redelijke
termijn" heeft de Hoge Raad niet
nader ingevuld. De periode welke
staat voor “een redelijke termijn”
is sterk afhankelijk van de feiten
en omstandigheden in een specifieke
casus. Een termijn van drie maanden
kan in alle gevallen als redelijk
worden aangemerkt. Een termijn
van meer dan drie maanden wordt
alleen als redelijk aangemerkt
wanneer de werknemer dat aannemelijk
maakt
. 12. Het saldo op de derdenrekening wordt niet geheel gebruikt
als koopsom voor een stamrecht
In
afwachting van de oprichting
van de stamrecht-BV, of om een
betere keuze te kunnen maken
uit de mogelijke verzekeraars,
kan de werkgever de koopsom
voor een stamrecht storten op
een geblokkeerde derdenrekening
bij een notaris of advocaat.
Wanneer de werknemer er nadien
voor kiest een deel van die
koopsom niet te gebruiken voor
de aankoop van een stamrecht,
bijvoorbeeld omdat hij het voor
de volstorting van zijn aandelen
in de stamrecht-BV wenst te
gebruiken, of omdat hij er in
contanten over wenst te beschikken,
wat zijn dan de fiscale gevolgen?
Nadat
de ontslagvergoeding een geblokkeerde
derdenrekening bij een notaris
of advocaat is gestort, om te
worden aangewend als koopsom
voor een stamrecht, kan de werknemer
er niet meer voor kiezen een
deel van de gestorte ontslagvergoeding
anders aan te wenden dan als
koopsom voor een stamrecht.
De storting op de derdenrekening
is immers vrijgesteld voor de
loonheffing omdat sprake was
van een toegekende aanspraak
in de vorm van een stamrecht.
De
tijdelijke storting van de ontslagvergoeding
op de derdenrekening is alleen
toegestaan om de voorwaarden
van het stamrecht nader te kunnen
invullen. Wanneer niet de gehele
storting op de derdenrekening
wordt aangewend voor de aankoop
van het overeengekomen stamrecht,
dan is sprake van een (gedeeltelijke)
afkoop van het stamrecht. Op
grond van artikel 19b, wet LB
wordt in dat geval de gehele
aanspraak aangemerkt als loon
uit vroegere dienstbetrekking.
De notaris of advocaat is in
dat geval inhoudingsplichtige
op grond van artikel 6, vijfde
lid, wet LB, dan wel op grond
van artikel 6, eerste lid, onderdeel
b, wet LB.
. 13. Ingangsdatum periodieke uitkering in polis
Moet
uit de stamrechtovereenkomst
blijken op welk moment de periodieke
uitkeringen ingaan?
In
een stamrecht van voor 1 januari
1995, gebaseerd op artikel 11,
eerste lid, onderdeel d, wet
LB (tekst 1994) hoeft geen uiterste
ingangsdatum van de periodieke
uitkeringen te zijn opgenomen.
Bij een stamrecht van na 1 januari
1995, waarop artikel 11, eerste
lid, onderdeel g, wet LB van
toepassing is, moet in de polis
te zijn opgenomen dat de periodieke
uitkeringen uiterlijk dienen
in te gaan in het jaar waarin
de werknemer de leeftijd van
65 jaar bereikt, dan wel bij
zijn eerdere overlijden.
. 14. (Toekomstige) echtgenoot, partner of kinderen
In
artikel 11, eerste lid, onderdeel
g, ten eerste, wet LB
wordt een limitatieve opsomming
gegeven van de mogelijke begunstigden
van een stamrecht. Die begunstigden
zijn: de (gewezen) echtgenoot,
degene met wie een gezamenlijke
huishouding wordt gevoerd en/of
de kinderen van de (gewezen)
werknemer. Gaat het daarbij
om de echtgenoot, de partner
en de kinderen ten tijde van
het ontslag of kunnen hieronder
ook worden begrepen de eventuele
toekomstige echtgenoot, partner
en kinderen?
Het
stamrecht moet aansluiten bij
de omstandigheden van het moment
waarop het wordt toegekend.
Een alleenstaande werknemer,
zonder kinderen kan dus alleen
een stamrecht bedingen met zichzelf
als begunstigde. Krijgt deze
werknemer later alsnog een partner
of kinderen, dan kan het stamrecht
worden omgezet in een stamrecht
waarbij de partner en/of de
kinderen als begunstigden worden
opgenomen
. 15. Slotbegunstiging
Is
het toegestaan om naast de in
artikel 11, eerste lid, onderdeel
g, ten eerste, wet LB
genoemde begunstigden de erfgenamen
van de (gewezen) werknemer als
slotbegunstigden op te nemen?
Nee.
Een recht waarbij uitkeringen
kunnen toekomen aan personen
buiten de in artikel 11, eerste
lid, onderdeel g, ten eerste,
wet LB genoemde kring van begunstigden,
valt niet onder de stamrechtvrijstelling
van artikel 11, eerste lid,
onderdeel g, wet LB.
. 16. Slotbegunstiging (ex)werkgever?
In
artikel 11, eerste lid, onderdeel
g, ten eerste, wet LB
wordt een limitatieve opsomming
gegeven van de mogelijke begunstigden
van een stamrecht. Stamrechten
worden vaak ondergebracht in
verzekeringsproducten die altijd
tot een uitkering zullen leiden,
dus ook wanneer er geen toegestane
begunstigden meer aanwezig zijn.
Hoe kan worden voorkomen dat
door die bepaling de stamrechtvrijstelling
niet kan worden toegepast?
Een
stamrecht mag er slechts toe
leiden dat uitkeringen worden
gedaan aan personen binnen de
in de wet genoemde kring van
begunstigden. Het is wel toegestaan
dat de (ex-) werkgever als slotbegunstigde
in de polis wordt opgenomen.
Uitkeringen die nog worden gedaan
wanneer van de eerder genoemde
begunstigden niemand meer in
leven is komen dan aan hem toe.
Het recht op deze uitkeringen
maakt geen deel uit van de door
de werkgever aan de werknemer
toegekende aanspraak. Gevolg
daarvan is dat de premie die
hiervoor wordt betaald geen
deel uitmaakt van de koopsom
voor het stamrecht en dat een
eventuele uitbetaling aan de
(ex)werkgever niet tot het loon
behoort
. 17. Slotbegunstiging stamrechten van voor 1 januari 1995
Een
stamrecht mag uitsluitend leiden
tot uitkeringen aan toegestane
begunstigden, zoals genoemd
in artikel 11, eerste lid, onderdeel
g, wet LB. Geldt dit
ook voor stamrechten van voor
1 januari 1995, waarop
artikel 11, eerste lid, onderdeel
d, wet LB (tekst 1994)
van toepassing is?
Nee.
In artikel 11, eerste lid, onderdeel
d, wet LB (tekst 1994) zijn
geen voorwaarden genoemd met
betrekking tot de personen die
als begunstigden voor de periodieke
uitkering kunnen worden aangewezen.
. 18. Contraverzekering
Wanneer
de gewezen werknemer die een
stamrecht krijgt toegekend een
contraverzekering afsluit, om
op die manier te voorkomen dat
kapitaalverlies optreedt als
alle mogelijke begunstigden
zijn overleden. Kan de premie
voor die contraverzekering dan
worden betaald uit de ontslagvergoeding?
Nee,
een contraverzekering is geen
verzekering die is aan te merken
als een stamrecht in de zin
van artikel 11, eerste lid,
onderdeel g, wet LB. De premie
dient daarom uit de privé-middelen
van de werknemer te worden voldaan.
Betaalt de werkgever de premie
voor de contraverzekering, dan
behoort die premie tot het (te
bruteren) loon van de werknemer.
De
premie voor de contraverzekering,
zoals die voor rekening van
de werknemer komt, moet zodanig
zijn bepaald, dat deze overeenkomt
met de premie voor een zelfstandig
te sluiten verzekering bij overlijden.
Deze premie mag niet worden
beïnvloed door de gesloten stamrechtovereenkomst.
Bij het bepalen van de premie
dient met name rekening te worden
gehouden met de gezondheidssituatie
van de verzekerde(n).
. 19. Verzekeraar stamrecht, PSW
Een
lichaam als bedoeld in artikel
19a, eerste lid, onderdeel d
wet LB, kan op grond van artikel
11, eerste lid, onderdeel g,
wet LB als verzekeraar optreden.
In artikel 19.b, eerste lid,
onderdeel d wet LB is
opgenomen dat deze verzekeraar
alleen als verzekeraar van pensioenen
optreden ter uitvoering van
toezeggingen als bedoeld in
artikel 2, derde lid, van de
Pensioen- en spaarfondsenwet,
of van toezeggingen waarvoor
ontheffing is verleend van artikel
2, eerste lid van die wet. Geldt
deze voorwaarde ook voor lichamen
als bedoeld in artikel 19a,
eerste lid, onderdeel d,
wet LB, die willen optreden
als verzekeraar van een stamrecht?
Nee,
artikel 19a, tweede lid, wet
LB is alleen van toepassing
als het gaat om het verzekeren
van een pensioen.
. 20. Verzekeraar stamrecht, drijven onderneming
Als
een stamrecht is verzekerd bij
een verzekeraar als bedoeld
in artikel 19a, eerste lid,
onderdeel d, wet LB,
is het dan toegestaan dat dit
lichaam ook andere ondernemingsactviteiten
ontplooit?
Ja.
. 21. Verzekeraar stamrecht, beleggingseisen
Als
een stamrecht is verzekerd bij
een verzekeraar als bedoeld
in artikel 19a, eerste lid,
onderdeel d, wet LB,
kunnen aan dit lichaam dan beleggingseisen
worden gesteld?
Neen.
Wel is het zakelijke karakter
van de transacties door een
verzekeraar als bedoeld in artikel
19a, eerste lid, onderdeel d,
wet LB een belangrijk aandachtspunt.
In het bijzonder wanneer de
verzekeraar transacties aangaat
met (familieleden van) een aandeelhouder
of stamrechtgerechtigde(n).
Voorkomen moet worden dat deze
transacties er toe leiden dat
het stamrecht feitelijk wordt
genoten.
. 22. Omzetting ingegane stamrechten
In
artikel 19b, eerste lid, wet
LB wordt, in samenhang met het
zesde lid van dat artikel, de
mogelijkheid geboden een stamrecht
fiscaal geruisloos om te zetten
in een ander stamrecht. Voorwaarde
bij die omzetting is wel dat
het nieuwe stamrecht voldoet
aan de voorwaarden van artikel
11, eerste lid, onderdeel g,
wet LB. Geldt deze mogelijkheid
ook voor reeds ingegane stamrechten?
Ja,
een reeds ingegaan stamrecht
kan ook fiscaal geruisloos worden
omgezet in een nieuw stamrecht.
Aan de omzetting van een reeds
ingegaan stamrecht in een nieuw
stamrecht is wel een beperking
verbonden. Het nieuwe stamrecht
moet een stamrecht zijn dat,
bezien vanuit de werknemer aan
wie het stamrecht oorspronkelijk
werd toegekend, voldoet aan
de voorwaarden van artikel 11,
eerste lid, onderdeel g, wet
LB. Zo kan bijvoorbeeld een
reeds ingegaan stamrecht voor
een nabestaande niet worden
omgezet in een uitgesteld stamrecht.
Deze beperking geldt ook bij
de overgang van het stamrecht
naar een andere verzekeraar
als bedoeld in artikel 19b,
tweede lid, wet LB, in samenhang
met artikel 19b, zesde lid,
wet LB.
. 23. Omzetting stamrecht van voor 1 januari 1995
Kan
een stamrecht van voor 1 januari
1995 worden omgezet in een nieuw
stamrecht dat voldoet aan de
voorwaarden zoals die golden
voor een stamrecht van voor
1 januari 1995, maar dat
niet voldoet aan de voorwaarden
van artikel 11, eerste lid,
onderdeel g, wet LB?
Neen.
Ook bij de omzetting van stamrechten
van voor 1 januari 1995
geldt dat het nieuwe stamrecht
moet voldoen aan de voorwaarden
van artikel 11, eerste lid,
onderdeel g, wet LB. De eerbiedigende
werking van artikel 37, wet
LB geldt alleen voor bestaande
aanspraken. Door de omzetting
ontstaat een nieuwe aanspraak.
Niet
als een nieuwe aanspraak wordt
aangemerkt het direct ingaande
stamrecht dat wordt bedongen
bij de expiratie van de gerichte
periodieke uitkering, mits dit
nieuwe stamrecht overeenstemt
met hetgeen in de stamrechtovereenkomst
was toegezegd.
. 24. Echtscheiding, verdeling stamrecht
In
verband met een echtscheiding
wordt de helft van de waarde
van een stamrecht in de zin
van artikel 11, eerste lid,
onderdeel g, wet LB aan
de (ex-)echtgenote toegedeeld.
Heeft deze verdeling gevolgen
voor de belastingheffing?
Nee.
Ingevolge het bepaalde in artikel
19b, derde lid, wet LB, in samenhang
met het zesde lid van dat artikel,
leidt de vervreemding of omzetting
van een stamrecht in het kader
van echtscheiding, scheiding
van tafel en bed of beëindiging
van de samenleving niet tot
belastingheffing. Voor de heffing
van loonbelasting wordt er vanuit
gegaan dat geen nieuw recht
is ontstaan, maar dat de aan
de (ex-) echtgenote toegedeelde
helft een voortzetting is van
het recht zoals dat eerder aan
haar echtgenoot is toegekende.
Als gevolg hiervan wordt de
(ex-) echtgenote na de verdeling
van het stamrecht voor de aan
haar toegedeelde helft aangemerkt
als “de werknemer”.
_Populaire diensten
Gouden
handdruk
Arbeidsongeschiktheidsverzekering
Lijfrente
Hypotheekadvies
Onafhankelijk
advies over de gouden handdruk, wat is de beste
besteding van uw gouden
handdruk?
Onafhankelijk
vergelijken van een arbeidsongeschiktheidsverzekering.
Een aanbieding op maat en advies over de arbeidsongeschiktheidsverzekering.
Onafhankelijk
vergelijken van een gegarandeerde direct ingaande lijfrente.
Vrijblijvend advies voor uw lijfrente.
Onafhankelijk
hypotheekadvies
tegen een provisieplafond van € 1.750,00! Erkend
hypotheekadviseur aanwezig in Amersfoort.